Esther

‘Mama, waarom zocht je niet naar mij?’

Esther was tien jaar slaaf in Ghana

Esther (16) was nog maar zes toen ze meegenomen werd naar een eiland in het Voltameer. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werkte ze er als slaaf. Als ze aan haar moeder dacht, moest ze huilen. “Waarom heb je mij naar dit eiland gestuurd om hier te lijden? Waarom zocht je niet naar mij?”


Vóór Esther werd verhandeld, zag haar leven er heel anders uit. Ze woonde met haar ouders in een klein dorpje en zat in groep één van de plaatselijke basisschool. Van die tijd herinnert Esther zich niet zo veel meer. Wel heeft ze warme herinneringen aan haar moeder. “Ze hield van me en sloeg me niet. Als ze mij vroeg om iets te doen, deed ik dat. Ook mijn vader hield van me en wilde niet dat iemand mij sloeg. Hij beschermde mij.”
Aan haar vredige kinderleventje kwam ineens een einde. Haar vader vertelde haar dat ze naar het Voltameer moest gaan. Haar moeder protesteerde: “Doe het niet”, zei ze. “Als je naar die plek gaat, zul je lijden.”

 

'Ik zou er geld voor krijgen, maar dat heb ik nooit gezien'

Toch ging het plan van haar vader door. Ze werd meegenomen door een vrouw, een familielid van haar vader. “Ze is te vertrouwen”, zei hij. Esther zou er naar school gaan en buiten schooltijd haar baas en bazin helpen in de winkel. Maar al snel bleek dat een leugen te zijn. 
Esther: “We werkten van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Als ik wakker werd, moest ik eerst het huis schoonvegen. Daarna ging ik vis roken en eten koken. Toen ik net op het eiland was, ging ik ook mee in de vissersboten het water op. Ik trok de netten naar binnen. Ik zou er geld voor krijgen, maar dat hebben ze mij nooit gegeven.”

Later kwamen er ook jongens voor haar meester werken. Zij gingen het water op en Esther moest op het land werken. “We haalden de vis van de oever, we ontkalkten en wasten de vis en maakten vuur”, vertelt ze over het werk dat ze deed. “We legden de vissen op een soort grill en lieten ze de daar voor een tijdje liggen. We draaiden de vissen om tot ze voldoende gerookt waren. Daarna deden we ze in manden. Op woensdag ging ik vaak met mijn meesteres mee naar de markt. Ook moest ik vaak hout zoeken dat we gebruikten voor het roken van de vis.”

 

‘Ren weg! Verstop je!’

Ze woonde er met haar meester en meesteres en andere kinderen. Later werden ook Esthers halfzus en broertje naar het eiland gebracht. Esther: “We waren met veel kinderen. Alle kinderen werkten, behalve de kinderen van mijn meester en meesteres. Zij mochten wel naar school. Een keer vroeg ik mijn meester waarom ik niet naar school mocht. Hij zei: ‘Jullie zijn hier niet om naar school te gaan, maar om te werken.’ Dat deed pijn. Ik mistte mijn moeder ontzettend. Als ik aan haar dacht, moest ik huilen. Ik wilde ontsnappen, maar ik wist niet hoe.”

Esther had geen hoop meer. Tot er iets veranderde. Op een dag kwamen er plotseling mensen van International Justice Mission (IJM) en de politie het huis binnen waar Esther woonde. “Ik was net klaar met koken toen ze het huis binnenkwamen”, vertelt Esther. “Ik schrok. Eén van de zonen van mijn meester riep tegen mij: ‘Ren weg! Verstop je!’ We renden het bos in. We verstopten ons van ’s ochtends vroeg tot het einde van de middag. Toen gingen we terug, hopend dat de agenten vertrokken waren. Maar ze zaten er nog steeds. Zodra ze ons zagen, namen ze ons mee. ‘We brengen jullie terug naar jullie ouders’, zeiden ze. Dat stelde mij gerust.” 

 

'Ze begon te begrijpen dat ze op een veilige plek was'

Esther werd naar een nazorghuis gebracht, en daar is ze nog steeds. Perpetual, de nazorgmedewerker die haar begeleidt, vertelt dat er veel is veranderd sinds de dag dat Esther aankwam in het opvanghuis. “De eerste keer dat we haar ontmoetten, was ze heel erg getraumatiseerd. De eerste nacht huilde ze bijna aan één stuk door. Ze wilde niet praten. Maar in de dagen daarna begon ze zich langzaam te openen. Ik merkte dat God iets met haar aan het doen was. Ze begon te begrijpen dat ze op een veilige plek was, waar er geen mensen waren die haar wilden slaan of misbruiken.”

Het werk dat kinderen als Esther op het Voltameer moeten doen, zorgt voor zware trauma’s, aldus Perpetual. “We horen vaak van kinderen dat ze hebben gezien hoe andere kinderen verdronken in het meer. Veel kinderen worden mishandeld als ze volgens hun baas te langzaam werken. Ze worden met touwen of met peddels geslagen. Als ze ziek zijn of gewond, moeten ze gewoon doorwerken en medische hulp is er niet.”

 

'Ze hebben vaak gezien hoe andere kinderen verdronken in het meer'

Er wordt nog onderzocht of het mogelijk is dat Esthers terugkeert naar haar ouders. Het meisje heeft veel vragen voor hen. “Waarom lieten ze mij lijden en gingen ze nooit naar mij op zoek? Als er geen mensen waren geweest die mij kwamen redden en ik dood was gegaan, zouden dan op zoek zijn gegaan naar mijn dode lichaam?”
Haar geloof in God helpt haar om vertrouwen te hebben in de toekomst. “Op het eiland bad ik nooit”, vertelt ze. “Nu bid ik wel. Ik dank God altijd dat Hij ons verlost heeft van ons lijden en ons naar een plek van rust heeft gebracht. En dan vraag ik altijd om vergeving voor de zonden die we hebben begaan. En voor de zonden die onze ouders hebben begaan. En dan vraag ik of Hij voor ons blijft zorgen. Hij heeft ons gered en ik geloof dat Hij zorgt dat we van betekenis kunnen zijn voor anderen.”

Esther heet in werkelijkheid anders